Jules Schelvis

Jules Schelvis

Jules

Jules Schelvis is geboren in Amsterdam. Hij heeft een oudere zus, Milly. Zijn vader is diamantbewerker. Jules groeit op in een politiek bewust gezin. Ook muziek speelt bij hen een grote rol en al op jonge leeftijd bezoekt Jules met zijn ouders concerten.
Na de HBS wordt hij leerling-drukker. Op 18-jarige leeftijd is hij een volleerd drukker. Jules is 19 jaar als de Duitsers Nederland binnenvallen.
In het begin van de Duitse bezetting zijn de eerste anti-joodse maatregelen vooral tegen niet-Nederlandse joden gericht. Poolse joden worden bedreigd met deportatie, door de Duitsers ‘emigratie’ genoemd. Jules’ vriendin Rachel heeft de Poolse nationaliteit. Zij besluiten zo snel als mogelijk is te trouwen zodat Rachel de Nederlandse nationaliteit krijgt en in Nederland zal kunnen blijven. Jules en Rachel trouwen op 18 december 1941. Op die dag trouwt ook Rachels zuster.
De anti-joodse maatregelen volgen elkaar snel op. In de drukkerij waar Jules werkt wordt door de Duitsers een Verwalter, een zaakwaarnemer, benoemd. De joodse eigenaar moet vertrekken, Jules wordt ontslagen.

Jules’ ouders en zuster hebben als diamantbewerkers een Sperre gekregen, een bewijs van uitstel van deportatie, evenals zijn schoonouders. Het lukt niet voor Jules een Sperre te bemachtigen. Op straat moet hij voortdurend opletten en uitkijken, omdat hij met de gele ster op zijn kleding als jood herkenbaar is. En joden zijn vogelvrij verklaard. Er zijn voortdurend razzia’s. Aan het begin van de straat waar Jules en zijn familie wonen, staat een groot geel bord met daarop ‘Judenviertel ‘ Joodsche wijk.

Jules en Rachel

Op 26 mei 1943 wordt de joodse wijk in Amsterdam afgezet, worden de bruggen opgehaald en staan overal mitrailleurs opgesteld. Huis aan huis wordt gebeld en worden persoonsbewijzen gevraagd. De huizen worden doorzocht en de joodse bewoners eruit gejaagd. Ook Jules Schelvis, zijn vrouw en zijn schoonfamilie. Ze doen eten in rugzakken en Jules neemt zijn gitaar mee.
Onder strenge bewaking lopen zij naar het Jonas Daniël Meyerplein. Alles is afgesloten, ontsnappen is onmogelijk. Trams brengen hen naar het Muiderpoortstation waar een trein gereed staat. Daar worden ze ingeduwd. Laat in de avond komen Jules, Rachel en de anderen in Westerbork aan.
De volgende dagen doen zij alle moeite een nieuwe Sperre te bemachtigen. Tevergeefs. Met het eerstvolgende transport worden zij naar Polen gestuurd. Op 1 juni 1943 vertrekt de trein met 3.006 mensen naar het oosten, naar Sobibor. Het was een naam en een plaats die tot de topgeheimen van de nazi’s behoorde. Drie dagen en drie nachten duurt de reis. Iedereen is oververmoeid en uitgeput als de trein eindelijk stopt.
Sobibor is geen werkkamp. Nog diezelfde dag worden alle joden omgebracht, op een groep van 81 mannen uit de eerste wagons na. Jules is nummer 81. De mannen gaan het kamp weer uit, rijden uren met de trein en komen, zonder enige bagage, in het werkkamp Dorohucza. Hen staat zware arbeid te wachten onder zeer slechte omstandigheden.
Hier hoort Jules wat er in Sobibor werkelijk gebeurt.
Na Dorohucza volgen kampen in Lublin, Radom, Szkolna, Tomaszow en Auschwitz. Weer een treinreis in veewagens brengt Jules Schelvis in augustus 1944 in Duitsland, in Vaihingen an der Enz. Na een strenge winter vol ontberingen komt voor hem de bevrijding op 8 april 1945 net op tijd.
Eind juni is Jules terug in Amsterdam. Daar hoort hij dat zijn moeder en zijn zuster ook de kampen hebben overleefd. Zij verblijven dan nog in Zweden.

Zie voor het volledige interview getuigenverhalen.nl.